Tag

Aandelen: alle begrippen op een rijtje

Een aandeel is een bewijs van deelname in het kapitaal van een besloten of naamloze vennootschap. De houder van een aandeel is mede-eigenaar ten belope van zijn aandeel in de vennootschap, heeft bepaalde inspraakrechten en bepaalde rechten op een deel van de winst.

Bijvoorbeeld: bedrijf X geeft 1000 aandelen uit. Jij koopt er 10. Daardoor ben je voor 1% eigenaar van bedrijf X.
Er zijn twee soorten aandelen. Aandelen op naam en aandelen aan toonder. Aandelen op naam zijn aandelen opgemaakt ten voordele van een bepaald persoon die alleen de daaraan verbonden rechten kan uitoefenen. De houder van zo’n aandeel wordt opgenomen in het aandelenregister. Aandelen aan toonder zijn aandelen die de naam van de titularis niet vermelden. Ieder die houder van de aandelen wordt, kan de eraan verbonden rechten uitoefenen.

Tegenwoordig worden de aandelen (vooral aan toonder) in computersystemen gezet. Dit geautomatiseerd systeem zorgt voor een gemakkelijk en vlot effectenverkeer.

1. Dividend

De geschiedenis van het dividend is een belangrijk criterium voor het kiezen van je aandeel. Sommige ondernemingen keren elk jaar een dividend uit. Of sommige keren elk jaar een steeds groter dividend uit. Dit zijn dus relatief veilige beleggingen. Er zijn ook ondernemingen die onderhevig zijn aan bepaalde externe factoren voor hun succes. Je zal bij zulke ondernemingen dus zowel goede als slechte jaren hebben. Als een onderneming verlies maakt, keert ze gewoonlijk geen dividend uit.

Een ander belangrijk gegeven is het gedeelte van de winst dat door een onderneming gebruikt wordt als dividend. Bij snel groeiende ondernemingen is dit percentage meestal erg klein, omdat ze hun winst investeren in de verdere groei van de onderneming. Hoe groter dit percentage, hoe meer je kan verdienen op korte termijn.

2. Rendement

Je hebt een investering gedaan door een aandeel te kopen. Wat heeft dit je nu opgeleverd? Wat is de verhouding tussen het dividend en de koers van het aandeel? Hier komen we weer bij de historiek van de dividenden uit. Is er in het verleden een groot rendement geweest, dan is er een zekere kans dat je aandeel in de toekomst ook gaat renderen.

3. De Koers/Winstverhouding

De K/W of koers/winstverhouding is een ander criterium bij de keuze van een aandeel. Dit is de verhouding van de koers van een aandeel met de nettowinst per aandeel.

Bij de winst wordt enkel de courante winst genomen. Eenmalige kosten of opbrengsten worden dus niet in rekening gebracht.

Wanneer is een K/W nu voordelig? Hoe lager ze is, hoe beter het aandeel. Maar deze K/W is één van de maatstaven en men mag dus niet enkel hierop afgaan. Je vergelijkt beter ook de K/W van een bepaalde onderneming met de K/W’s van andere ondernemingen in dezelfde branche. Je weet ook best wat de totale K/W is van de nationale beurs waarop het bedrijf is ingeschreven. Bij een gemiddelde K/W zoek je beter nog wat verder.

4. Return

De return is een alternatieve maatstaf om een aandeel in te schatten. Hoe wordt de return berekend?
Return is de verhouding van de koers van het aandeel op de laatste dag van het jaar verminderd met die van de eerste dag van het jaar en vermeerderd met het dividend en andere uitkeringen, en de koers van het aandeel op de eerste dag van het jaar.

Schematisch:

koers dag 365 – koers dag 1 + dividend en andere uitkeringen

Return=—————————————————————————————————–

koers dag 1

Voorbeeld:

koers op 1 januari 2006: 90
koers op 31 december 2006: 100
uitgekeerd dividend voor 2006: 5

100-90+5
Return= ———————— = 16,67%

90

De return van een aandeel is positief als de koers hoger is op 31 december dan op 1 januari. Is dit niet zo, dan is de return negatief.

5. Cashflow

De cashflow is het geld dat in een bepaalde periode ter beschikking is van de onderneming, waar het mee werkt. Het komt neer op het verschil tussen het geld dat binnenkomt en het geld dat buitengaat. Als de cashflow negatief is, maakte de onderneming verlies of is er minder geld in de kas.

Je moet echter wel rekening houden met de afschrijvingen. Wordt er op een bepaald moment veel afgeschreven, dan weet je dat er grote investeringen geweest zijn. Een andere mogelijkheid is dat er veel winst gemaakt is en dat deze gedrukt moet worden. Bedrijven hebben liever geen te hoge winst omdat ze dan meer belastingen moeten betalen.

In het algemeen kan je stellen dat hoe groter de cashflow is, hoe gezonder de bedrijfseconomische toestand. Je houdt best de uitzonderlijke kosten en opbrengsten in de gaten: hierin kunnen kosten of opbrengsten worden geboekt om bepaalde kasstromen te verbergen.

6. Jaarrekening

De jaarrekening is een belangrijk middel om de toestand van een onderneming te weten te komen. Elke jaarrekening moet wettelijk bestaan uit de balans, de resultatenrekening en de toelichting. Vaak komt er bij beursgenoteerde ondernemingen ook een sociale toelichting bij, prognoses van omzet en winst en dergelijke. Als aandeelhouder kan je deze jaarrekening vrij raadplegen. Hier volgt een zeer beknopt overzicht van de verschillende hoofdposten van de jaarrekening.

De balans

De balans is het geheel van activa en passiva. Links heb je het actief, dat aangeeft waarvoor de middelen van de onderneming gebruikt worden en rechts het passief, dat de herkomst van die middelen aanduidt. Het totaal van het actief moet gelijk zijn aan het totaal van het passief.

Het actief

Het actief bestaat uit de vaste activa en de vlottende activa. Onder vaste activa verstaat men de oprichtingskosten, de immateriële vaste activa, de materiële vaste activa en de financiële vaste activa. Immateriële vaste activa zijn niet-tastbare bezittingen van een onderneming, zoals kosten van onderzoek, octrooien, licenties, knowhow, goodwill. Materiële vaste activa zijn gebouwen, meubilair enz.

De vlottende activa zijn onder meer vorderingen, voorraden en bestellingen in uitvoering, geldbeleggingen en liquide middelen. Voorraden en bestellingen in uitvoering zijn alle grondstoffen, half en volledig afgewerkte goederen die de onderneming in voorraad heeft. Liquide middelen is het geld dat je in de kas en op de bank hebt staan.

Het passief

Het passief bestaat onder meer uit het kapitaal, de uitgiftepremies, herwaarderingsmeerwaarden, overgedragen winst en schulden. Het kapitaal is de totale geldelijke inbreng van aandeelhouders in de onderneming. De uitgiftepremie is het extra geld dat vrijkomt bij kapitaalverhoging en voorzien wordt voor de aandeelhouders. Herwaarderingsmeerwaarden is het totaal bedrag waarmee een bepaald actief wordt opgewaardeerd. Overgedragen winst is de winst van het vorige boekjaar dat overgeboekt werd naar dit boekjaar.

De resultatenrekening

De resultatenrekening bestaat uit de kosten en de opbrengsten van een onderneming. Deze rekening geeft dus ook aan wat de omzet van de onderneming was, de winst of het verlies, de hoeveelheid afschrijvingen, enz.

7. Financiële ratio’s

Ratio’s kunnen ook belangrijke criteria zijn die je keuze mee beïnvloeden. Vergelijk ze met ratio’s van andere ondernemingen in dezelfde branche. Vergelijk ze met de ratio’s van dezelfde onderneming in een vroegere periode.

Liquiditeit

Is er genoeg baar geld ter beschikking van de onderneming om de lopende betalingsverplichtingen te voldoen?

Solvabiliteit

De solvabiliteit is de verhouding tussen het eigen vermogen en het vreemd vermogen op de balans. Is het eigen vermogen te klein in verhouding met het vreemd vermogen, dan kunnen bij een faillissement de schuldeisers (= vreemd vermogen) niet volledig worden terugbetaald.

Rentabiliteit

De rentabiliteit is de verhouding tussen de winst en het vermogen van een onderneming. Dus hoeveel middelen heeft een onderneming nodig om tot een bepaalde winst te komen? Kan de onderneming voldoende dividend betalen aan haar aandeelhouders?

Tags , , , , , , , , , , , ,